De harde realiteit van het gewone leven

Alweer bijna een maand zit ik op Lesbos, dit prachtige Griekse eiland vlakbij de Turkse kust. Op dit prachtige eiland met glooiende olijfgaarden en mooie stranden zitten sinds dit weekend voor het eerst 10.000 vluchtelingen vast. Zo’n 7.000 daarvan zitten in Moria en de overige 3.000 zitten verspreid in andere kampen, appartementen en hotels in Mytilini en andere stadjes. Het leven op dit prachtige eiland is voor deze tienduizend mensen heel wat minder prachtig. Soms zelfs zo heftig dat ze me toevertrouwen dat ze het liefst zelfmoord zouden plegen. Hun situatie is zo uitzichtloos dat de dood de enige oplossing van hun uitzichtloze lijden is. 

Een jongen die ik al sinds vorig jaar ken, heeft snel medische hulp nodig. Hij heeft, sinds hij twee weken geleden ’s nachts door iemand was aangevallen, twee gebroken botten. De behandeling die nodig is, kan niet op dit eiland gegeven worden, hij moet hiervoor naar Athene. Omdat hij alleen nog niet het juiste stempel in zijn papierwerk heeft staan, mag hij Lesbos nog niet verlaten. Al twee weken wordt hij aan het lijntje gehouden door de instanties, om gisteren te horen dat hij eigenlijk niet geholpen kan worden en maar hier op Lesbos pijn moet blijven lijden. Al twee weken eet hij amper, omdat dat te pijnlijk is en omdat hij niet eet kan hij ook geen pijnstillers innemen. Iedere keer dat ik hem zie, wil hij me ondanks zijn pijn toch altijd weer helpen met vertalen. Iedere keer zijn zijn wangen meer ingevallen en staan de pijn duidelijker in zijn ogen. Iedere keer dat ik hem zie vraag ik hem hoe het gaat en vraag ik wat ik voor hem kan betekenen. Iedere keer is het antwoord “De enige manier om te overleven is steeds toch weer op komen dagen en niet bij de pakken neer gaan zitten.”. Een moedig antwoord waar hij ook naar leeft, maar toch lijkt zelfmoord voor deze jongen soms ook de enige uitweg. 

De meeste tijd die ik in het kamp ben, breng ik door in het lagere gedeelte waar onze Sectie C ligt. Vlakbij de Sectie liggen de kantoortjes waar registratie van de nieuwe vluchtelingen plaatsvindt, heeft UNHCR een kantoortje, doet de Griekse dokter de medische registratie, zit het “hoofdkwartier” van de politie en een van de poorten naar de tent van New Arrivals. In een gemiddelde shift begin ik mijn dag met het lezen van de aantekeningen van de vorige dag en bespreek ik met mijn collega wat er vandaag op de planning staat. Ik begroet de vrouwen in Sectie C en loop naar Sectie B en begroet de vrouwen die achterin dit gedeelte wonen. Met sommigen maak ik een praatje, ik vraag hoe het met ze gaat, of ze lekker hebben geslapen en of ze vandaag nog afspraken hebben. Soms duren deze gesprekjes zo een half uur, soms ben ik na een paar minuten Sectie B weer uit. Vaak loop ik dan door naar New Arrivals. Ondertussen word ik hier en daar begroet door vrouwen die me herkennen of tienerjongens die mijn naam hebben onthouden en die graag aandacht willen. Terwijl ik naar New Arrivals onderweg ben, loop ik langs de kantoortjes van de dokter en politie. Vaak is er ook daar wel iemand die me roept en een vraag heeft, gewoon gedag wil zeggen of even een knuffel wil. Soms heb ik haast en zwaai ik alleen even, maar vaak neem ik de tijd om ze uitgebreid te begroeten. 

Soms krijg ik een kopje koffie aangeboden

Als ik eenmaal in New Arrivals aankom is het vaak en hele toer om daadwerkelijk in de grote tent te komen. Buiten slapen tientallen mensen, overal liggen teenslippers, rugtassen, stukken karton of afval. Veel mensen die hier al lang zitten kennen mijn naam en ook hier word ik van verschillende kanten begroet. Als ik vroeg ben, slapen sommige mensen nog, maar als het al wat later in de ochtend is, of als ik ’s middags door de tent loop heerst er een hoop bedrijvigheid. Als ik hier mensen begroet is standaard de vraag die erop volgt “Hoe gaat het?” en dat is dan ook de vraag die ik dan terugstel. Meestal is het antwoord “Niet goed, want ik zit nog steeds hier.” Soms krijg ik een kopje koffie aangeboden, vragen ze of ik even kom zitten of vlecht een vrouw mijn haar. Op deze manier proberen ik en mijn collega er ook voor de vrouwen in New Arrivals te zijn. We laten ons gezicht zien, we praten met ze, brengen tijd met ze door en proberen de aller-kwetsbaarste vrouwen te helpen door een plaatsje in onze Sectie te zoeken. Als er nieuwe vrouwen zijn leggen we hen uit dat niet alle mensen in Moria goede mensen zijn, dat er ook mensen zijn die vrouwen willen gebruiken om er zelf beter (en rijker) van te worden. We vertellen hen dat ze goed op zichzelf moeten passen en geen onverstandige beslissingen moeten maken. Met al deze gesprekjes vliegt de ochtend vaak voorbij. 

Soms doen we iets creatiefs, zoals waterverven

De rest van de dag vullen we met gesprekken met vrouwen die net in onze Sectie wonen, noodgevallen, kraambezoek in het ziekenhuis, overleg of gaan we met de vrouwen iets creatiefs doen, zoals waterverven. Ik geniet ervan om de vrouwen in Moria beter te leren kennen, relaties te bouwen en ze te kunnen helpen. Omdat ik Frans spreek weten veel Afrikaanse vrouwen me ook snel te vinden als ze een probleem hebben. De een vraagt me met haar mee te gaan om een afspraak te maken met de psycholoog, de ander heeft mijn hulp nodig bij een bezoek aan het ziekenhuis en weer een ander zoekt me op om me te vertellen dat ze graag met me wil praten. Al die kleine tekentjes van vertrouwen, steeds dat kleine beetje verschil dat ik voor hen kan maken. Dat is waarom ik hier ben. Dan maakt het niet uit dat de verhalen mij soms verstikken, dat ik ’s avonds niet in slaap kan komen omdat alle ellende uit Moria me even te veel is. Dan maakt het niet uit dat ik me in het zweet werk, dat ik soms naar plas ruik omdat het kindje dat ik heb opgetild in haar broek heeft geplast of dat ik  ’s avonds moe thuiskom. Al mijn “problemen” doen er niet toe, want ik weet waar ik het voor doe, voor wie ik een verschil maak en Wie me hier heeft geplaatst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *