Hoop en wanhoop

Het aftellen is alweer begonnen. Over iets meer dan 2 weken zal ik Lesbos weer moeten verlaten. Alleen het idee al dat ik alle nieuwe vrienden die ik hier heb gemaakt en de mensen voor wie ik een klein verschil heb kunnen maken, moet gaan achterlaten bezorgt me hoofdpijn. Iedere dag weer maak ik nieuwe vrienden. Hoor ik van nieuwe vrouwen die hulp nodig hebben. Zie ik mensen met heftige problemen en mensen met “gewone” problemen. Alle mensen met “gewone” problemen die in Nederland mensen zouden zijn die juist extra hulp zouden ontvangen, maar die hier aan hun lot worden overgelaten. Bijvoorbeeld de alleenstaande zwangere vrouw met al twee kinderen die in een piepklein plekje in een grote rubhall heeft en graag een betere plaats wil. Of een van mijn Afrikaanse vriendinnen die ’s nachts niet zonder slaapmedicatie kan, omdat ze anders moet denken aan wat de rebellen in haar land haar hebben aangedaan. En dan zijn er nog al die speciale mensen. Bijvoorbeeld de vrouw in de rolstoel die vanwege polio niet kan lopen, tegen wie al een aantal keer gezegd was: “Morgen ga je naar een beter kamp.”, maar die dat niet meer kon geloven en daarom maar in Moria wilde blijven. In de hel, waar ze in ieder geval weet waar ze aan toe is. Waar ze weet dat haar slaapplaats in de open lucht is. Moria, waar ze weet dat haar vrienden en wij er zijn om haar te helpen. In tranen vertelde ze me dat ze niet meer durfde te hopen dat het deze keer morgen echt zo ver zo zijn, dat ze bang was voor het onbekende. Gelukkig was het gisteren echt zo ver en kon ze eindelijk Moria achter zich laten en in dat betere, speciale kamp haar procedure afwachten. Dan zijn er nog al die mensen met grote medische problemen. Zo is er de man met huidkanker die niet weet waar hij heen moet om hulp te krijgen. Of de man zonder benen wiens rolstoel kapot is en voor wie ik niet goed weet waar ik een andere rolstoel vandaan kan toveren. Of de man wiens been door een bomexplosie zo misvormd is dat hij niet kan lopen. Gelukkig zijn er ook verhalen van hoop. Zo is er het fantastische meisje uit Somalië die al jaren met twee protheses loopt en die pasgeleden gelukkig een appartementje in Mytilini (de grote stad van het eiland) kreeg. Of de vrouw met wie ik al een paar keer naar het ziekenhuis ben geweest en die vandaag eindelijk medische papieren heeft gekregen die zeggen dat ze naar Athene moet om onderzocht te worden.  Stap voor stap, beetje bij beetje kunnen wij er voor deze mensen zijn. 

“You very good my friend”

Soms vraag ik mezelf wel eens af waar ik iedere (of eigenlijk: de meeste) dag(en) toch weer de energie vandaan haal om aan de slag te gaan. ’s Avonds, als ik met mijn huisgenoot de dag, de verhalen en de dingen waar ik en zij tegenaan loopen bespreek, is alle ellende soms overweldigend. Moria staat bekend als het slechtste vluchtelingenkamp ter wereld, en ik geloof dat zeker. (Voor meer info, zie hier: https://www.youtube.com/watch?v=8v-OHi3iGQI&frags=pl%2Cwn). De ellende van de kleine slaapplaatsen, de stank en het afval doet me ondertussen niet veel meer, daar raak je na een paar weken aan gewend. Het zijn die kleine ellendige dingen die soms overweldigend zijn. Het feit dat mensen uren opgepropt binnen het metalen rasterwerk in de rij staan voor het eten, om soms alsnog zonder eten weg te moeten lopen. Dat kinderen, als ze bij hun ouders in de voedselrij staan soms gewond raken vanwege het gedrang. Tassen die gestolen worden of door de politie of schoonmakers gewoonweg worden weggegooid. Mensen die soms plotseling in shock raken, kinderen met huiduitslag vanwege ongedierte. Jongens met armen vol littekens van het zichzelf snijden. Onduidelijkheid over waar en of moeders melk voor hun baby’s kunnen krijgen. Het feit dat vluchtelingen in het Griekse ziekenhuis tweederangs patiënten zijn. Of alle gevolgen die het heeft dat er bijna nooit een franse vertaler bij de dokter is en dat de doktersafspraken daarom voor de Afrikaanse mensen vaak meerdere keren verplaatst worden, zelfs tot in november! Ondanks al deze ellende waar ik iedere minuut in Moria mee geconfronteerd wordt, breng ik ieder dag weer de moed op om in de auto te stappen en naar Moria te rijden. Want waar ik energie van krijg is dat meisje van 11 jaar dat iedere keer als ze me ziet, naar me toe rent, haar armen om mij heen slaat, over mijn wang strijkt en zegt: “You very good” en me uitnodigt voor de thee. Of die communityleader die me gisteren, nadat ik met hem meegelopen was om met twee vrouwen uit zijn community te praten (maar eigenlijk geen oplossing had voor hun probleem) vertelde: “Iedereen heeft het over jou. Iedereen zegt: Zoek Debora, zij kan je helpen, zij is heel erg aardig.” Waar ik iedere dag weer een glimlach van krijg zijn de vrouwen die me, als ik langs kom lopen in koor begroeten met “Bonjour Debora” en me steeds vragen wanneer zij aan de beurt zijn om mijn haar te vlechten. Het is het “Dankjewel” dat ik krijg nadat ik even iemands verhaal heb kunnen aanhoren en heb laten zien dat ik ook boos en verdrietig van hun situatie word en deze het liefst zou willen veranderen. Bovenal is het dankzij jullie gebed dat ik hier kan functioneren. Zonder Gods kracht was ik allang neergevallen, had ik de moed allang opgegeven. Want God is erbij, ook in deze ellende. “When the weight of the world brings me to the ground, I will trust you even now.” 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *