Hoe het verder ging

Terwijl ik dit schrijf zit ik op een comfortabele bank in een prachtig appartement in Beiroet, de hoofdstad van Libanon. Alweer 5 dagen geleden heb ik Lesbos achter mij gelaten. Maandagochtend vertrok mijn vlucht naar Athene. Daar heb ik de afgelopen 4 dagen doorgebracht en gisteren avond ben ik op het vliegtuig naar Beiroet gestapt om een vriendin die hier woont te bezoeken. 

Afscheid nemen was zwaar

Afscheid nemen van de vrouwen was zwaar. Mijn hele zaterdag heb ik besteed aan het gedag zeggen van al die vrouwen (maar ook gezinnen) die een plekje in mijn hart hebben veroverd. Ik heb gedag gezegd tegen de tientallen vrouwen die, vanwege ruimtegebrek, buiten Sectie C gehuisvest zijn. Ik heb gedag gezegd tegen het meisje dat me altijd opzocht en zei: “You very good my friend” en dan over mijn wang streek. Ik heb met haar in de vroege morgen thee gedronken en haar haar gevlochten. Maar wat graag wilde ze in mijn rugzak mee naar “Hollanda”. Ik heb gedag gezegd tegen alle lieve vrouwen die al zoveel weken in de grote, rommelige en vieze tent van New Arrivals wachten op een plaatsje in Sectie C. Ik heb een fantastische afscheidslunch gekregen bij het meisje dat sinds een tijdje een appartement in Mytilini heeft en met pijn in mijn hart moest ik ook haar gedag zeggen. Ik heb gedag gezegd tegen alle vrouwen met wie ik moeilijke gesprekken heb gevoerd. Die me toevertrouwden dat ze niemand hun verhaal durfden te vertellen. Die vrouw, of eigenlijk nog een meisje, dat me vertelde dat ze niet over haar verleden kon nadenken, laat staan práten, omdat ze dan gek werd of soms zelfs in shock raakte. Maar omdat ze mij al bijna 2 maanden had gezien en ik haar steeds weer gedag zei wist ze dat ze mij kon vertrouwen en deelde ze kleine kruimeltjes van haar verhaal. Of de twee zussen die en bizarre reis hebben gehad en waarvan ik en mijn collega’s de eerste waren die hun verhaal wilden en konden aanhoren. Gedag zeggen tegen deze vrouwen was ontzettend moeilijk, zo niet hartverscheurend. 

En toch was ik ook klaar om te vertrekken. Ik was het zat om te zien hoe mensen hun eerste nachten in Moria buiten op een parkeerplaats van grind bij de hoofdpoort moeten doorbrengen. Ik was het zat om huilende kinderen met vieze kleren te zien. Ik was het zat om steeds maar weer die rioollucht te ruiken.Ik was er klaar mee om te horen dat mensen doktersafspraken in februari krijgen. Ik was er klaar mee om te zien hoe de armen van tieners ingezwachteld zijn vanwege de snijwonden die ze zichzelf met scheermesjes hadden aangebracht. Ik was er klaar mee om weer iemands ellende aan te horen en te weten dat ik er niets aan kon veranderen. Boven alles was ik het zat om steeds maar weer tegen de Griekse muur van onverschilligheid en onwil te moeten vechten. Die muur die ervoor zorgt dat er geen vertalers beschikbaar zijn, dat vluchtelingen tweederangs mensen zijn in ziekenhuizen, dat afspraken bij de dokter en de asieldienst steeds weer verplaatst worden. Die Griekse muur die Moria Moria maakt. 

Deze fantastische familie heeft me gastvrij onthaald in Athene!

Waar ik bij al mijn andere reizen naar Lesbos steeds rechtstreeks naar Nederland vloog, heb ik er dit keer bewust voor gekozen om dat niet te doen. De overgang van Moria naar Nederland is te groot. Het kostte me altijd dagen, zo niet weken om weer te wennen en om Moria mentaal achter me te laten. De 4 dagen die ik in Athene heb doorgebracht hebben me goed gedaan, mede omdat ik een gezinnetje dat ik in december heb ontmoet in Athene heb kunnen opzoeken. Vanaf dat ik in januari vertrok heb ik contact met hen gehouden, maar vlak voordat ik in juli terug kwam verhuisden zij naar een kamp in Athene. Dinsdag heb ik de hele dag bij hun doorgebracht en ik heb genoten. Niet alleen van hun gastvrijheid en het heerlijke eten dat ze me voorzetten. Maar vooral van het feit dat de kinderen naar school gaan, dat ze heerlijk en veilig buiten kunnen spelen. Dat er een speeltuin en voetbalveld in het kamp is en dat er geen gevechten zjin. Dat het kamp alleen maar ISOboxen heeft (een soort stacaravan), met daarin per box een eigen badkamertje en dat er maar 1 gezin per ISObox woont. Al deze dingen die eigenlijk gewoon normaal zijn, zijn een zegen als je in Moria hebt gewoond. Ik weet dat niet voor iedereen die in Athene aankomt het leven zo goed is, maar toch was ik ontzettend blij om “mijn familie” hier weer te ontmoeten en tijd met hen door te brengen! Naast dat ik dit gezinnetje heb bezocht, ben ik ook met 2 oud-vertalers van EuroRelief op stap geweest en heb ik de culturele hoogtepunten van Athene bezocht. Ook hebben ze mij meegenomen naar een shelter waar alleenstaande moeders met kinderen wonen en waar zij als vertalers werken. Ik ben ontzettend dankbaar voor dit inkijkje in de levens van de vluchtelingen in Athene. 

De komende week breng ik door in Beiroet. Hier woont een vriendin van me die met vluchtelingen(kinderen) werkt. Ik ben erg benieuwd om te zien hoe het leven voor de vluchtelingen hiér is. Tegen welke moeilijkheden ze hier aanlopen en hoe Libanon met de vluchtelingenproblematiek omgaat. Na volgende week is dit avontuur weer voorbij. Dan zit ik gewoon weer in Nederland aan een boterham met hagelslag. Maar voor het zo ver is ga ik eerst nog even genieten van mijn eerste keer in het Midden-Oosten.

Hoop en wanhoop

Het aftellen is alweer begonnen. Over iets meer dan 2 weken zal ik Lesbos weer moeten verlaten. Alleen het idee al dat ik alle nieuwe vrienden die ik hier heb gemaakt en de mensen voor wie ik een klein verschil heb kunnen maken, moet gaan achterlaten bezorgt me hoofdpijn. Iedere dag weer maak ik nieuwe vrienden. Hoor ik van nieuwe vrouwen die hulp nodig hebben. Zie ik mensen met heftige problemen en mensen met “gewone” problemen. Alle mensen met “gewone” problemen die in Nederland mensen zouden zijn die juist extra hulp zouden ontvangen, maar die hier aan hun lot worden overgelaten. Bijvoorbeeld de alleenstaande zwangere vrouw met al twee kinderen die in een piepklein plekje in een grote rubhall heeft en graag een betere plaats wil. Of een van mijn Afrikaanse vriendinnen die ’s nachts niet zonder slaapmedicatie kan, omdat ze anders moet denken aan wat de rebellen in haar land haar hebben aangedaan. En dan zijn er nog al die speciale mensen. Bijvoorbeeld de vrouw in de rolstoel die vanwege polio niet kan lopen, tegen wie al een aantal keer gezegd was: “Morgen ga je naar een beter kamp.”, maar die dat niet meer kon geloven en daarom maar in Moria wilde blijven. In de hel, waar ze in ieder geval weet waar ze aan toe is. Waar ze weet dat haar slaapplaats in de open lucht is. Moria, waar ze weet dat haar vrienden en wij er zijn om haar te helpen. In tranen vertelde ze me dat ze niet meer durfde te hopen dat het deze keer morgen echt zo ver zo zijn, dat ze bang was voor het onbekende. Gelukkig was het gisteren echt zo ver en kon ze eindelijk Moria achter zich laten en in dat betere, speciale kamp haar procedure afwachten. Dan zijn er nog al die mensen met grote medische problemen. Zo is er de man met huidkanker die niet weet waar hij heen moet om hulp te krijgen. Of de man zonder benen wiens rolstoel kapot is en voor wie ik niet goed weet waar ik een andere rolstoel vandaan kan toveren. Of de man wiens been door een bomexplosie zo misvormd is dat hij niet kan lopen. Gelukkig zijn er ook verhalen van hoop. Zo is er het fantastische meisje uit Somalië die al jaren met twee protheses loopt en die pasgeleden gelukkig een appartementje in Mytilini (de grote stad van het eiland) kreeg. Of de vrouw met wie ik al een paar keer naar het ziekenhuis ben geweest en die vandaag eindelijk medische papieren heeft gekregen die zeggen dat ze naar Athene moet om onderzocht te worden.  Stap voor stap, beetje bij beetje kunnen wij er voor deze mensen zijn. 

“You very good my friend”

Soms vraag ik mezelf wel eens af waar ik iedere (of eigenlijk: de meeste) dag(en) toch weer de energie vandaan haal om aan de slag te gaan. ’s Avonds, als ik met mijn huisgenoot de dag, de verhalen en de dingen waar ik en zij tegenaan loopen bespreek, is alle ellende soms overweldigend. Moria staat bekend als het slechtste vluchtelingenkamp ter wereld, en ik geloof dat zeker. (Voor meer info, zie hier: https://www.youtube.com/watch?v=8v-OHi3iGQI&frags=pl%2Cwn). De ellende van de kleine slaapplaatsen, de stank en het afval doet me ondertussen niet veel meer, daar raak je na een paar weken aan gewend. Het zijn die kleine ellendige dingen die soms overweldigend zijn. Het feit dat mensen uren opgepropt binnen het metalen rasterwerk in de rij staan voor het eten, om soms alsnog zonder eten weg te moeten lopen. Dat kinderen, als ze bij hun ouders in de voedselrij staan soms gewond raken vanwege het gedrang. Tassen die gestolen worden of door de politie of schoonmakers gewoonweg worden weggegooid. Mensen die soms plotseling in shock raken, kinderen met huiduitslag vanwege ongedierte. Jongens met armen vol littekens van het zichzelf snijden. Onduidelijkheid over waar en of moeders melk voor hun baby’s kunnen krijgen. Het feit dat vluchtelingen in het Griekse ziekenhuis tweederangs patiënten zijn. Of alle gevolgen die het heeft dat er bijna nooit een franse vertaler bij de dokter is en dat de doktersafspraken daarom voor de Afrikaanse mensen vaak meerdere keren verplaatst worden, zelfs tot in november! Ondanks al deze ellende waar ik iedere minuut in Moria mee geconfronteerd wordt, breng ik ieder dag weer de moed op om in de auto te stappen en naar Moria te rijden. Want waar ik energie van krijg is dat meisje van 11 jaar dat iedere keer als ze me ziet, naar me toe rent, haar armen om mij heen slaat, over mijn wang strijkt en zegt: “You very good” en me uitnodigt voor de thee. Of die communityleader die me gisteren, nadat ik met hem meegelopen was om met twee vrouwen uit zijn community te praten (maar eigenlijk geen oplossing had voor hun probleem) vertelde: “Iedereen heeft het over jou. Iedereen zegt: Zoek Debora, zij kan je helpen, zij is heel erg aardig.” Waar ik iedere dag weer een glimlach van krijg zijn de vrouwen die me, als ik langs kom lopen in koor begroeten met “Bonjour Debora” en me steeds vragen wanneer zij aan de beurt zijn om mijn haar te vlechten. Het is het “Dankjewel” dat ik krijg nadat ik even iemands verhaal heb kunnen aanhoren en heb laten zien dat ik ook boos en verdrietig van hun situatie word en deze het liefst zou willen veranderen. Bovenal is het dankzij jullie gebed dat ik hier kan functioneren. Zonder Gods kracht was ik allang neergevallen, had ik de moed allang opgegeven. Want God is erbij, ook in deze ellende. “When the weight of the world brings me to the ground, I will trust you even now.” 

De harde realiteit van het gewone leven

Alweer bijna een maand zit ik op Lesbos, dit prachtige Griekse eiland vlakbij de Turkse kust. Op dit prachtige eiland met glooiende olijfgaarden en mooie stranden zitten sinds dit weekend voor het eerst 10.000 vluchtelingen vast. Zo’n 7.000 daarvan zitten in Moria en de overige 3.000 zitten verspreid in andere kampen, appartementen en hotels in Mytilini en andere stadjes. Het leven op dit prachtige eiland is voor deze tienduizend mensen heel wat minder prachtig. Soms zelfs zo heftig dat ze me toevertrouwen dat ze het liefst zelfmoord zouden plegen. Hun situatie is zo uitzichtloos dat de dood de enige oplossing van hun uitzichtloze lijden is. 

Een jongen die ik al sinds vorig jaar ken, heeft snel medische hulp nodig. Hij heeft, sinds hij twee weken geleden ’s nachts door iemand was aangevallen, twee gebroken botten. De behandeling die nodig is, kan niet op dit eiland gegeven worden, hij moet hiervoor naar Athene. Omdat hij alleen nog niet het juiste stempel in zijn papierwerk heeft staan, mag hij Lesbos nog niet verlaten. Al twee weken wordt hij aan het lijntje gehouden door de instanties, om gisteren te horen dat hij eigenlijk niet geholpen kan worden en maar hier op Lesbos pijn moet blijven lijden. Al twee weken eet hij amper, omdat dat te pijnlijk is en omdat hij niet eet kan hij ook geen pijnstillers innemen. Iedere keer dat ik hem zie, wil hij me ondanks zijn pijn toch altijd weer helpen met vertalen. Iedere keer zijn zijn wangen meer ingevallen en staan de pijn duidelijker in zijn ogen. Iedere keer dat ik hem zie vraag ik hem hoe het gaat en vraag ik wat ik voor hem kan betekenen. Iedere keer is het antwoord “De enige manier om te overleven is steeds toch weer op komen dagen en niet bij de pakken neer gaan zitten.”. Een moedig antwoord waar hij ook naar leeft, maar toch lijkt zelfmoord voor deze jongen soms ook de enige uitweg. 

De meeste tijd die ik in het kamp ben, breng ik door in het lagere gedeelte waar onze Sectie C ligt. Vlakbij de Sectie liggen de kantoortjes waar registratie van de nieuwe vluchtelingen plaatsvindt, heeft UNHCR een kantoortje, doet de Griekse dokter de medische registratie, zit het “hoofdkwartier” van de politie en een van de poorten naar de tent van New Arrivals. In een gemiddelde shift begin ik mijn dag met het lezen van de aantekeningen van de vorige dag en bespreek ik met mijn collega wat er vandaag op de planning staat. Ik begroet de vrouwen in Sectie C en loop naar Sectie B en begroet de vrouwen die achterin dit gedeelte wonen. Met sommigen maak ik een praatje, ik vraag hoe het met ze gaat, of ze lekker hebben geslapen en of ze vandaag nog afspraken hebben. Soms duren deze gesprekjes zo een half uur, soms ben ik na een paar minuten Sectie B weer uit. Vaak loop ik dan door naar New Arrivals. Ondertussen word ik hier en daar begroet door vrouwen die me herkennen of tienerjongens die mijn naam hebben onthouden en die graag aandacht willen. Terwijl ik naar New Arrivals onderweg ben, loop ik langs de kantoortjes van de dokter en politie. Vaak is er ook daar wel iemand die me roept en een vraag heeft, gewoon gedag wil zeggen of even een knuffel wil. Soms heb ik haast en zwaai ik alleen even, maar vaak neem ik de tijd om ze uitgebreid te begroeten. 

Soms krijg ik een kopje koffie aangeboden

Als ik eenmaal in New Arrivals aankom is het vaak en hele toer om daadwerkelijk in de grote tent te komen. Buiten slapen tientallen mensen, overal liggen teenslippers, rugtassen, stukken karton of afval. Veel mensen die hier al lang zitten kennen mijn naam en ook hier word ik van verschillende kanten begroet. Als ik vroeg ben, slapen sommige mensen nog, maar als het al wat later in de ochtend is, of als ik ’s middags door de tent loop heerst er een hoop bedrijvigheid. Als ik hier mensen begroet is standaard de vraag die erop volgt “Hoe gaat het?” en dat is dan ook de vraag die ik dan terugstel. Meestal is het antwoord “Niet goed, want ik zit nog steeds hier.” Soms krijg ik een kopje koffie aangeboden, vragen ze of ik even kom zitten of vlecht een vrouw mijn haar. Op deze manier proberen ik en mijn collega er ook voor de vrouwen in New Arrivals te zijn. We laten ons gezicht zien, we praten met ze, brengen tijd met ze door en proberen de aller-kwetsbaarste vrouwen te helpen door een plaatsje in onze Sectie te zoeken. Als er nieuwe vrouwen zijn leggen we hen uit dat niet alle mensen in Moria goede mensen zijn, dat er ook mensen zijn die vrouwen willen gebruiken om er zelf beter (en rijker) van te worden. We vertellen hen dat ze goed op zichzelf moeten passen en geen onverstandige beslissingen moeten maken. Met al deze gesprekjes vliegt de ochtend vaak voorbij. 

Soms doen we iets creatiefs, zoals waterverven

De rest van de dag vullen we met gesprekken met vrouwen die net in onze Sectie wonen, noodgevallen, kraambezoek in het ziekenhuis, overleg of gaan we met de vrouwen iets creatiefs doen, zoals waterverven. Ik geniet ervan om de vrouwen in Moria beter te leren kennen, relaties te bouwen en ze te kunnen helpen. Omdat ik Frans spreek weten veel Afrikaanse vrouwen me ook snel te vinden als ze een probleem hebben. De een vraagt me met haar mee te gaan om een afspraak te maken met de psycholoog, de ander heeft mijn hulp nodig bij een bezoek aan het ziekenhuis en weer een ander zoekt me op om me te vertellen dat ze graag met me wil praten. Al die kleine tekentjes van vertrouwen, steeds dat kleine beetje verschil dat ik voor hen kan maken. Dat is waarom ik hier ben. Dan maakt het niet uit dat de verhalen mij soms verstikken, dat ik ’s avonds niet in slaap kan komen omdat alle ellende uit Moria me even te veel is. Dan maakt het niet uit dat ik me in het zweet werk, dat ik soms naar plas ruik omdat het kindje dat ik heb opgetild in haar broek heeft geplast of dat ik  ’s avonds moe thuiskom. Al mijn “problemen” doen er niet toe, want ik weet waar ik het voor doe, voor wie ik een verschil maak en Wie me hier heeft geplaatst.

De alleenstaande vrouwen en hun verhalen

Sinds een paar dagen heb ik een andere taak in het kamp. De coördinatoren waren op zoek naar iemand die wilde gaan werken met de alleenstaande vrouwen. De meeste alleenstaande vrouwen wonen in Sectie C, veilig achter een poort waar geen mannen kunnen en mogen binnenkomen, maar er wonen er ook een hoop buiten deze sectie en er zitten er nog zo’n 100 te wachten in New Arrivals. Op dit moment kunnen alleen de aller kwetsbaarste vrouwen en meiden in Sectie C gehuisvest worden en zodra er een bed vrijkomt wordt er z.s.m. iemand anders in geplaatst. 

Het werken met deze vrouwen is op een andere manier zwaar. Waar ik eerst vooral fysiek moe was na een lange dag werken in Moria, zit nu als ik thuiskom vooral mijn hoofd vol met de verhalen van de vrouwen. Mijn nieuwe taak is namelijk tijd doorbrengen met deze vrouwen, naar hun verhalen luisteren en er altijd voor hen zijn. Er zijn al zoveel verhalen die ik met jullie kan delen. Zo is er de zwangere vrouw die de hele dag moet overgeven, zo vaak dat ze zelfs flauwvalt van uitdroging. Soms ligt ze bijna de hele dag in haar bed, maar andere keren zie ik haar zitten met haar hoofd in haar handen en staart ze voor zich uit in het niets. Ik probeer iedere dag even bij haar te gaan kijken om te vragen hoe het met haar gaat en of ze een beetje koud water wil. Op die manier wil ik haar laten zien dat ik er voor haar ben en hoop ik dat ze op een dag me haar verhaal wil vertellen. Of het verhaal van het meisje dat hier al een jaar zit en emotioneel zo vastloopt dat ze ons soms de huid vol scheldt. Er is ook het nieuwe meisje dat op de vlucht moest omdat ze werd uitgehuwelijkt aan een oude man die haar mishandelde . 

Ook in Sectie B (eigenlijk bedoeld voor alleenreizende minderjarigen) wonen wat alleenstaande, met name Afrikaanse, vrouwen. Een van hen, een paar jaar ouder dan ik, vertelde me over haar 3 kinderen die ze zo mist en over haar angst voor de zee. Acht uur lang duurde haar reis over het water van Turkije naar Lesbos, omdat de motor van de boot kapot was. Ze zit hier al 3 maanden en haar eerste interview voor haar asielaanvraag is pas in september. Of het verhaal van de lieve moeder die met haar dochtertje niet in Sectie C kan wonen omdat er geen kinderen mogen wonen én omdat er geen plaats is in Sectie A (waar de kwetsbare gezinnen wonen). Samen met een andere vrouw en diens zoontje woont ze in een 2-persoonstentje middenin het kamp. Met haar kleine vlechtjes en groene kraaltjes in het haar heeft haar dochtertje een speciaal plekje in mijn hart veroverd. Het dochtertje heeft een ontsteking bij haar hals en de dokter had haar verteld dat ze eigenlijk geopereerd moest worden. Om de een of andere reden kan dat niet en ze moet nu de pijn van haar dochtertje verlichten met een anti-jeuk crème. Ook hen probeer ik iedere dag even op te zoeken. Vandaag vertelde ze me dat haar dochtertje ’s nachts niet slaapt en de hele nacht huilt. Ook is er geen melk voor haar dochtertje en het slapen in de tent is ontzettend warm. Alles wat ik dan kan doen is luisteren, medeleven tonen en zeggen dat ik het ook graag anders zie maar dat ik niets aan de situatie kan veranderen. Het leven in Moria is voor de mensen uitzichtloos en ontneemt hen alle hoop. En toch probeer ik hier Jezus’ licht te laten schijnen om de mensen in deze duisternis weer Hoop voor de toekomst te geven. 

Terug van weggeweest: de hel op aarde

Sinds afgelopen vrijdagochtend ben ik weer terug op het eiland Lesbos, waar ik vorig jaar juni voor het eerst kwam. Sindsdien hebben de mensen in kamp Moria een speciaal plekje in mijn hart. Toen ik zaterdagochtend weer voor het eerst terug naar Moria ging om mijn eerste shift te werken, was het dan ook net alsof ik weer thuis kwam. De omstandigheden in dit thuis zijn echter wel schrijnender dan ooit tevoren. Al bij de ingang van het kamp staan de tentjes, alle ruimtes tussen de hekken en alle open plekken zijn gevuld. Dat is ook niet anders dan logisch als je bedenkt dat Moria gebouwd is voor ongeveer 2000 mensen, maar dat er nu rond de 7000 mensen zitten. 

Mijn shiften breng ik weer door in New Arrivals. Oorspronkelijk is dit gedeelte bedoeld als tijdelijke verblijfplaats voor de mensen die nieuw op Lesbos aankomen. Ze worden als eerste geregistreerd bij de politie. Hiervoor moeten ze vingerafdrukken afgeven, krijgen ze een klein interviewtje en moeten ze op de foto. De hele afhandeling van deze eerste registratie duurt een aantal dagen en tijdens deze dagen horen de mensen in New Arrivals te wonen. Zodra de registratie klaar is worden ze gehuisvest. Althans, dat is het idee. Een gevolg van het feit dat Moria overvol is, is dat ook New Arrivals overvol is. Momenteel zitten er zo’n 400 mensen. Ongeveer de helft hiervan woont er min of meer permanent, omdat zij behoren tot een kwetsbare groep. Zo zijn er tientallen alleenreizende minderjarigen en een heleboel alleenstaande (soms zwangere) vrouwen en een hoop mensen met ziektes, handicaps of heftige mentale problemen. Er zijn speciale, extra beveiligde, gedeeltes in Moria voor deze kwetsbare groepen. Deze zitten echter zo propvol dat er geen plaats voor deze nieuwe kwetsbare mensen is, dat de beste plaats voor hen in New Arrivals is. Het bizarre is dat ook New Arrivals een nare plaats is om te verblijven. De 400 mensen leven op een oppervlakte van ongeveer 30 bij 15 meter. Er is een grote tent van 20 bij 10 meter waar rond de 30 stapelbedden in staan. Hierbinnen slaapt ongeveer de helft van de mensen, de rest slaapt buiten. Omdat ik het afgelopen jaar al zo’n 9 weken in New Arrivals heb gewerkt en al verschillende verhalen had gelezen en gehoord over de situatie in Moria, was ik redelijk voorbereid op wat ik zaterdag tijdens mijn eerste shift zou aantreffen. Toch werd ik gisteren op 2 manier weer even met mijn neus op de feiten gedrukt. Dat werd als eerste gedaan door een piepjong baby’tje. 

Omdat Moria al zo’n nare plaats is, vind ik het belangrijk om lol te maken. Ik heb daarom wat speelgoedjes meegenomen voor de kinderen en omdat het gisteren niet al te druk was besloot ik dat dat een goed moment was om met de kinderen te gaan bellenblazen. Ze vonden het fantastisch, maar tijdens het bellenblazen viel mijn oog op een piepklein baby’tje dat op een matras lag te slapen. Zijn moeder wapperde hem met een stuk karton wat relatieve koelte toe. Toen ik later die avond met mijn collega-vrijwilliger het over dit baby’tje had, vertelde ze me dat het gezin zo’n 2 weken geleden in Moria was aangekomen. De moeder was toen nog hoogzwanger. 5 dagen geleden is zij in het ziekenhuis bevallen van een prachtig jongetje en gisteren zijn ze uit het ziekenhuis ontslagen en teruggebracht naar Moria. De moeder had aan mijn collega uitgelegd dat ze niets had voor de baby, alleen de kleding die het ziekenhuis de baby had aangedaan en dat ze niet goed wist waar het baby’tje kon slapen. Na wat overleg besloten we dat een doos het beste kon fungeren als wiegje, dus die haalden we uit onze opslag tevoorschijn. Met twee zachte dekentjes als matrasje was het wiegje compleet. De moeder was erg dankbaar dat haar babytje hierin kon slapen en de twee oudere broertjes zaten trots naar hun jongere babybroertje te kijken. Ikzelf kon echter wel janken. Dat je als net bevallen vrouw in Europa zo behandeld wordt dat je je baby in een oude bananendoos moet laten slapen en zelf met je gezin buiten moet wonen is onbegrijpelijk. Dit is Moria, dit is Europa. 

De tweede persoon die mij met mijn neus op de feiten drukte was een jongeman die gisteren was aangekomen. De linkerkant van zijn gezicht had een zwartkleurige uitslag en zijn hand had littekens van brandwonden. Het was dus gelijk zichtbaar dat deze man het een en ander heeft meegemaakt. Halverwege de avond kwam hij naar mij toe en vertelde me dat hij niet in New Arrivals kon slapen. Omdat voor geen enkel mens slapen en wonen in New Arrivals prettig is, legde ik hem uit dat de politie wil dat mensen van wie de registratie nog niet helemaal voltooid is in New Arrivals moeten slapen en dat hij dit gedeelte dus niet kon verlaten. Hij bleef echter aandringen en omdat ik de man graag beter wilde begrijpen zocht ik eerst een vertaler. De man legde aan mijn vertaler uit dat er door een explosie een stukje metaal in zijn hoofd zit, dat hij daardoor onder andere met zijn linkeroog niet goed kan zien en dat zijn arm verbrand is. Verblijven in een benauwde omgeving is voor hem daarom erg naar en mijn vertaler vertaalde zijn woorden met “zodra iemand mijn arm aanraakt voelt het als de hel”. De man smeekte me om met de politie te gaan praten en te vragen of ze voor hem een uitzondering wilden maken. De politie in Moria ken ik echter een beetje en ik vertelde hem dat ik mijn best ging doen, maar dat ik de kans niet hoog inschatte. Ik trof gelukkig de juiste politieagent en nadat ik het verhaal had uitgelegd zei hij gelijk dat de man net buiten New Arrivals mocht slapen. Ondanks dat zijn broertje niet met hem mee mocht was de man ontzettend dankbaar. Aan het eind van de avond zag ik hem echter naast ons kantoortje in New Arrivals zijn “bed” klaarmaken. Toen ik hem vroeg waarom hij weer terug was vertelde hij dat zijn broertje het niet aandurfde om alleen in New Arrivals te slapen en uit liefde voor hem was hij daarom ook terug naar New Arrivals gekomen. Ik ben benieuwd hoe zijn eerste nacht in Europa is geweest… Welkom in Moria, welkom in Europa, dit is hoe wij hier vluchtelingen behandelen.